China: History – Encyclopedia Britannica (aantekeningen)

Aantekeningen bij Britannica‘s lemma voor de geschiedenis van China, dat in zijn volledigheid met 199.946 woorden een aardig compleet en bevredigend overzicht zou moeten zijn, maar ik ga hier slechts tot de revolutie van 1911 …



Prehistorie

-H. erectus: 2.500.000 – 10.000 bce.

-‘neolithische revolutie’ 6de millennium bce; eind 4de millennium al ‘orakelbotten’ (zonder inscriptie); 4de, 3de mill.: toename in rijkdom en privébezit (graven) en (dus) hiërarchie; voorouderverering in laat neolithicum.

(Pre-)Shang (bronzen tijdperk)

-3de, 2de mill.: toename oorlog, complexe nederzettingen, statusdifferentiatie, administratieve & religieuze hiërarchieën.

-Reusachtige bronzen rituele kookpotten (‘Simuwu tetrapod’/’Houmuwu ding‘ = ca. 850 kg.) indicatief voor mate van centrale organisatie en hiërarchie.

-1200 bce: lichte strijdwagens (via Aziatische steppe, waarschijnlijk Indo-Europeanen)

-Koningen (王); 10 daagse week; bidden tot 上帝 ( = hoogst, voor oorlog & oogsten, maar had geen cultus, afstandelijk), voorouders, rivier- & bergkrachten; mensenoffers & volgen in dood van de heer

(door


Zhou-dynastie

De Zhou-dynastie (周朝) begon met de verovering van Shang vanuit het westen door Wenwang en zijn zoon Wuwang, en wordt verdeeld in de ‘Westelijke’ (1046-771) en ‘Oostelijke Zhou’ (770-256), en die laatste valt min of meer samen met de de ‘Periode van Lente en Herfst’ (770-476) en de ‘Periode der Strijdende Staten’ (475-221), die eindige in de overwinning van de staat Qin en het begin van de gelijknamige dynastie.

De scheiding tussen de Westelijke en Oostelijke Zhous ontstond nadat Youwang (Koning You) in 771 werd gedood en er twee ‘kroonprinsen’ waren die meenden aanspraak te maken op de troon. Deze splitsing is een uiting van een algemenere verdeeldheid tussen de feodale edelen, die zich (doordat ze plaatselijk wortel begonnen te schieten en daardoor steeds minder afhankelijk waren van het centrale hof in Zhou) steeds minder aantrokken van de dynastische Zhou-belangen, en steeds aandacht hadden voor hun eigen belangen. Hoe het ook zij, de ‘westelijke’ van de twee aanspraakmakers stierf en en het ‘oostelijke’ hof bleef overeind. Het aanzien van het Zhou-hof was echter voorgoed verzwakt en verval zette zich in – of, eigenlijk: voort! …

Het traditionele karakter voor staat, 國, is gevormd tijdens de vroege Zhou. De vroege Zhou was namelijk geen aangesloten rijk, maar een netwerk van ommuurde, feodale ‘stadstaatjes’, wier controle zich amper uitstrekt buiten de stadsmuren. Alleen door een beroep te doen op het netwerk van Zhou-staten konden ze de plaatselijke bevolking eronder houden. ‘Feodale staat’ en ‘ommuurde stad’ waren dus identiek en synomiem, en werden afgebeeld als wapens (cf. 戎 en 戈) binnen stadsmuren (囗).

The feudal states were not contiguous but rather were scattered at strategic locations surrounded by potentially dangerous and hostile lands. The fortified city of the feudal lord was often the only area that he controlled directly; the state and the city were therefore identical, both being guo, a combination of city wall and weapons.

Tijdens het begin van de Lente & Herfst was Zhou gestratificeerd in vier hoofdklassen, van hoog naar laag: (1) de heerser van een staat, (2) zijn vazallen, die al dan niet dienden als ministers (3)  de shi (士) ‘heren’ die dienden als bureaucraten en intellectuelen in de huishoudens van bovengestelde rangen, en (4) de gewone mensen en slaven. Denkers als Confucius, Mozi, en Mencius e.d. komen allemaal voort uit de klasse van shi.

Deze denkers hielden zich à propos allemaal bezig met de vraag: ‘Wat is de juist relatie tussen leden van een maatschappij?’ (James Miller contrasteert deze fundamentele vraag van Chinese denkers in zijn boekje over Daoisme met de fundamentele vragen van Griekse filosofen: ‘Wat is waarheid/deugd?’ en Joodse profeten: ‘Hoe gehoorzamen we God?’) Deze vraag werd uiteraard prangend vanwege het proces dat hierboven al tweemaal werd aangestipt: de oude gecentraliseerde orde van het Zhou-netwerk (waarin de feodale heer eenvoudigweg de baas was) raakte in verval, en een nieuwe orde (gebaseerd op plaatselijke belangen, met een plaatselijke bureaucratie) kwam op. Ofwel: onderdanen van een feodale heer werden steeds meer onderdanen van een staat. ‘Wat is nu de (nieuwe) weg naar harmonie?’ …

Qin-dynastie (221 – 206 v. Chr.)

De eerste ‘echte’ dynastie, maakte van China voor het eerst een echte eenheid, met gestandaardiseerde wetten, maten, gewichten, een munteenheid, etc. En ook voor de geschiedenis van Qin was de dood van Youwang in 771 een cruciale gebeurtenis – namelijk de geboorte. De Zhou verkaste zoals gezegd naar het oosten en belastte wat onderdanen met een oogje in het zeil houden in het westen, dit werd het gloednieuwe staatje Qin. Het feit dat Qin een nieuwgeboren staatje was, zonder bestaande feodale instellingen en instituties, stelde het in staat zich veel flexibeler aan te passen aan de nieuwe tijd waarin echte staten gesmeed moesten worden. Hervormers kregen in Qin veel meer de ruimte om hun ontwikkelingen in te voeren, en Qin trok hiermee zelfs denkers en bureacraten van buitenaf aan. De belangrijkste daarvan was Shang Yang (390-338), afkomstig van het (zowel geografisch als politiek) centrale Wei. Hij mocht onder Xiaogong van Qin een scala aan hervormingen invoeren die later grotendeels onder de noemer ‘legalisme’ terechtkwamen.

Legalisme is als politieke filosofie heel erg een kind van zijn tijd: de feodale privileges moesten immers ingesnoerd worden, en hoe doe je dat het beter dan met een soort draconische ‘gelijkheid’ voor de wet? Zowel de meritocratische als de autocratische trekken van de Chinese staat en zijn bureaucratie vinden in het legalisme van Qin – vooral zoals verzameld door Han Feizi (ca. 280-233) – zijn vorm, en zijn sindsdien ook altijd kenmerkend geweest. Zoals Jonathan Fenby het zegt in zijn Tiger Head, Snake Tails (2012):

By and large, China has been ruled by the Legalist fist concealed in the Confucian glove.

Shang Yang maakte zich met zijn hervormingen uiteraard niet erg populair bij de oude aristocratie, die hun privileges in gevaar zagen, en toen zijn beschermheer Xiaogong stierf duurde het dan ook niet lang voordat Shang Yang werd gevijfendeeld (sic) en zijn familie ter dood gebracht.

Niettemin, de hervormingen zetten zich voort en zorgden ervoor dat in Qin, beter dan de overige Strijdende Staten, de meest geschikte mensen op belangrijkste posities wist te zetten. Dit gaf Qin (à la Napoleon grofweg twee millennia later) genoeg meritocratisch voordeel om als uiteindelijke overwinnaar uit de Periode der Strijdende Staten te komen, en zo in 221 v.Chr. de eerste ‘echte’ keizerlijke dynastie van een echt verenigd China te stichten, en als zodanig een enorme stempel op China als politieke eenheid wist te drukken.

Buiten de legalistische en andere (van Shang Yangs) bureaucratische hervormingen voerde Qin Shi Huang (letterlijk de Eerste Qin-keizer) een standaardisatie in van maten, gewichten, geld, het schrift die een blijvende indruk op China achterlieten. Ook legde hij veel wegen aan (volgens Jonathan Fenby met “4,700 miles” meer dan in het gehele Romeinse Rijk), trok hij enkele Kleine Muurtjes samen tot een Grote Muur, en verbrandde hij (althans, naar het verluidt) een flinke stapel boeken (en begroef hij hun auteurs) – waarmee hij een einde maakte aan de zogenaamde periode van Honderd Denkrichtingen, die als ‘gouden eeuw’ van de Chinese filosofie te boek staat, ten faveure van het legalisme.

Qin Shi Huang wilde ook onsterfelijk worden, maar dat is niet gelukt en hij stierf in 210 v. Chr. – uiteraard net toen hij op weg was naar een onsterfelijkheidselixer. Wel legde hij een Terracottaleger aan dat nog altijd zijn graf bewaakt.

Net als Shihuangdi was ook zijn dynastie niet onsterfelijk. Zijn aangewezen opvolger werd gedwongen tot zelfmoord door een complot die diens jongere broer op de troon zette. Om zijn macht te consolideren begon de Tweede Qin Keizer ministers, prinsen en overige hoge leden van het hof te executeren, maar regeren bleek toch moeilijk zonder capabele raadgevers en opstanden braken uit. De keizers moest zich overgeven aan de rebellen van de voormalige staat Chu, die hem executeerden om de volgende dynastie stichtten.

(door Cho-yun Hsu … )


Han-dynastie (206 vC – 220 nC)

Wordt onderverdeeld in de Westelijke Han (tot 9 n.Chr.) en de Oostelijke Han (vanaf 25 n.Chr.) en eventjes onderbroken door de zogeheten ‘Xin-dynastie‘ (9-23 n.Chr.) – dat maar één keizer had en dus niet echt een ‘dynastie’ in eigenlijke zin was. Gesticht door een luitenant van de Chu-rebellen Liu Bang (aka Gaozu), zijn familie (Liu) leverde alle Han-keizers.

De Han-dynastie was aanvankelijk een soort ‘gouden eeuw’ en strekte zich dan ook goed uit, naar zowel het zuiden (tot in Vietnam) als het noorden (noordelijk Korea) en het westen (Tarim-Basin) en opende zo de Zijderoute – waarlangs het boeddhisme ook China binnendruppelde. Onder keizer Wudi (reg. 141-87) werd Confucianisme echter de officiële staatsleer en was toegang tot de bureaucratie per keizerlijke edict (in 136) ook voorbehouden aan Confucianistische geleerden (inclusief een soort prototype van het soort examens die onder de Sui- en Tang-dynastieën standaard werden). Het boek ‘25 eeuwen oosterse filosofie‘ onder redactie van J. Bor en K. v.d.Leeuw leerde me eerder al dat Dong Zhongshu de drijvende kracht achter dit edict was. De Han zag zichzelf als beschaafd en deed ook zijn best om deze beschaving zo veel mogelijk te cultiveren en documenteren. De bureaucratie had hierdoor een enorme vraag naar zowel geleerden als manieren ter documentatie, dit resulteerde in een bloei in filosofie, literatuur, en wetenschap. Papier, het eerste Chinese woordenboek (met 9000 karakters) en een waterpomp (voor irrigatie) waren enkele technologische vruchten van deze bloei. Een interessante filosofische vrucht is de rationalistische leer van Wang Chong (27-100).

Onder de Han dynastie begon het intrigespel van invloed uitoefenen via keizerlijke gemalinnen prominent te worden. De invloed strekte zich overigens uit in twee richtingen: de keizer/het hof oefende via gemalinnen invloed uit op de (vaak machtige) families van de vrouwen, en vice versa. Een keizer baren was in dat spel natuurlijk de jackpot. De vrouwen konden zo ook op eigen titel erg machtig worden, zoals de eerste keizerin, Lü Zhi/Gaohou, die zowel haar man (de eerste Han-keizer) als haar zoon (de tweede Han-keizer) overleefde, en tussen 188 en 180 keizerlijke edicten op eigen titel en gezag uitschreef.

Dergelijke intriges leidden er overigens ook toe dat de Oostelijke Han ten val kwam en Wang Mang (een neefje van een keizerin-douairière) eerst de macht en later de troon kon grijpen om de geschiedenis in te gaan als de illustere Xin-dynastie. Deze kreeg echter te maken met opstanden en een rebellengroep genaamd de ‘Rode Wenkbrauwen‘ vielen in het jaar 23 Chang’an (de hoofdstad) binnen en doodden Wang Mang, waarna de Han-dynastie weer verderging – doch niet in het nu verwoeste Chang’an, maar in het meer oostelijk gelegen Luoyan (vandaar de naam: Oostelijke Han).

De Oostelijke Han bereikte zijn toppunt van macht rond het jaar 90, daarna namen de hofintriges zodanig toe dat families van gemalinnen of eunuchen de feitelijke macht van de troon overnamen en vooral hun eigen (factie)belangen gingen nastreven:

The weakness of the throne can be judged from the fact that, of the 14 emperors of Dong Han, no less than 8 took the throne as boys aged between 100 days and 15 years. Factions gradually increased in number, and their members, like the families of imperial consorts and like the eunuchs, tended to place their own interests above those of the state.

Zonder effectief leiderschap verloor de Han-dynastie de controle over China door invasies (Xiongnu) en opstanden (Gele Tulbanden). In het proces weer controle over het land te krijgen werden generaals en krijgsheren zo machtig dat ze eigen ambities kregen en het land raakte verdeeld in drie invloedssferen. Na de abdicatie van de laatste Han-keizer in 220 begint de periode met de naam Drie Koninkrijken (220-265/80).

(door Jack L. Dull en Britannica-redacteuren)


Zes Dynastieën (220-589)

De naam ‘Zes Dynastieën‘ verwijst naar de periode tussen het einde van Han-dynastie in 220 (toen China in stukken uiteenviel) en de overwinning van de Sui-dynastie in 589 (toen China weer gelijmd werd) en valt samen met de periodes Drie Koninkrijken (220-265/80), de Jin-dynastie(ën) (265-420), en de Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën.

Drie Koninkrijken (220-265/80)

Zoals gezegd viel de Han-dynastie in drieën uiteen tijdens het neerslaan van de Gele Tulband- en dergelijke rebellieën. De drie koninkrijken waren Wei, Shu, en Wu. Wei in het noorden (in handen van de Cao-clan, van de nog altijd zeer beroemde Han-generaal CaoCao), Shu rond Sichuan, en Wu ten zuiden van de Yangtze. In 263/64 slaagde Wei erin Shu te veroveren, maar in 265 slaagde de Sima-clan erin de Cao-clan af te zetten, en dit is de geboorte van de Jin-dynastie (265-420), die in 280 ook Wu verovert. Wu heeft dus niet lang bestaan, maar is niettemin erg belangrijk geweest in de Chinese geschiedenis vanwege zijn sinificatie van het gebied ten zuiden van de Yangtze, dat daarvoor barbaars gebied werd beschouwd, en zijn hoofdstad Jianye, dat na de barbaarse verovering (de Xiongnu et al.) van Noord-China in de 4de eeuw het centrum van de Chinese beschaving werd.

Jin-dynastie (265-420)

Wordt verdeeld in de Westelijke Jin (tot 317) en Oostelijke Jin (vanaf 317).

De Jin wist China in 280 dus te verenigen, en dat was het begin van een periode van rust en welvaart, die nochtans niet erg lang standhield. De Sima-clan lag met zichzelf overhoop, verviel in onderlinge oorlog, en van centraal gezag was al gauw geen sprake mee. Noord-China werd op dit moment overlopen door de Vijf Barbaren (wederom: Xiongnu et al.) – precies de ‘woeste’ steppevolkeren (Xiongnu/Hunnen?, Mongolen, Turken, Tibetanen) die de Grote Muur eigenlijk buiten de deur had moeten houden – en de Jin-dynastie moest zich in 317 noodgedwongen zuiden van de Yangtze vestigen, in de oude Wu-hoofdstad.

Deze verhuizing betekende het einde van Chinees gezag ten noorden van de Yangtze, het oude hartland van de Chinese cultuur zou nu eeuwenlang in handen blijven van diverse staatjes (zogenaamd ‘Zestien Koninkrijken‘) van barbaren. De meest bestendige hiervan was de ‘Noordelijke Wei‘ (386-535), die ook het meest verchineesd raakte.

Het zuiden was in deze periode van Noordelijke en Zuidelijke dynastieën politiek zwak, maar de cultuur bloeide op. Dit ging gepaard met een adoptie (en sinificatie) van boeddhisme, dat min of meer vrij spel kreeg bij de afwezigheid van een verenigde confucianistische staat. Het confucianisme had na de val van de Han sowieso aan aanzien ingeboet (het kon de val van Han immers niet voorkomen) en alternatieve ideologieën werden alweer opgedregd uit het pre-Han verleden, zoals legalisme, mohisme, en ‘daoisme’ (in een nieuwe, soort ‘seculiere’ vorm die zich richtte op de studie van de ‘Drie Mysterieën’ – de Laozi (Daodejing), de Zhuangzi, en de Yijing – en hierom ‘Xuanxue‘ werd genoemd: de ‘duistere/mysterieuze leer’). Hoewel het eigenlijke (religieuze) daoisme niet goed samenging met boeddhisme (daoisten en boeddhisten hadden voortdurend religieuze kift), bleek ‘Xuanxue’ (soms ook ‘neo-daoisme’ genoemd, hoewel het eigenlijk meer confucianistisch dan daoistisch was) juist prima te combineren met boeddhisme. (Ook in het barbaarse noorden werd het boeddhisme ondertussen geadopteerd, maar vooral vanwege zijn ‘niet-chineesheid’ – terwijl in het zuiden het boeddhisme juist sterk ‘verchineest’ raakte.)

In het noorden brak de Noordelijke Wei (onder heerschappij van de niet-Chinese Tuoba) in 535 in twee stukken uiteen: de Westelijke Wei en de (inderdaad) Oostelijke Wei. De Westelijke Wei ging over op de Noordelijke Zhou, die het noorden weer verenigde in 577. Vier jaar later, in 581, greep een generaal die zich identificeerde als Chinees (hoewel hij van gemengde afkomst was) de macht en stichtte in het noorden de Sui-dynastie. In 589 wist de Sui ook het zuiden te veroveren en zo werd China voor het eerst sinds het uiteenvallen van de Han weer verenigd.

(door


Sui-dynastie (581-618)

De Sui-dynastie ontstond dus (in 581) na een coup in de door barbaren beheerste contreien van boven de Yangtze, en trok naar het zuiden om China voor het eerst na eeuwen van fragmentatie weer te herenigen (in 589). De dynastie  heeft belangrijke overeenkomsten met de Qin dynastie. Beide dynastieën verenigden China, beide voorden belangrijke hervormingen door die zijn overgenomen door de volgende dynastie, beide dynastieën was geen lang leven beschoren, beide dynastieën werden opgevolgd door een zeer illustere en langdurige dynastie, en beide kregen behoorlijke slechte pers ván die dynastieën – waardoor ze ook beide als draconisch en onrechtvaardig te boek zijn komen te staan (wat dus niet per se waar hoeft te zijn).

Belangrijke hervormingen waren: de instelling en standaardisering van het examinatiesysteem voor de bureaucratie (waardoor China een belangrijke bron van inspiratie werd voor de Europese Verlichting), de reïntegratie van Noord en Zuid, wetshervormingen die de basis waren voor de latere ‘Tang Code’ (Confucianistische en Legalistische wetscode die de eeuwenlang de basis was (is?) voor niet alleen het Chinese recht, maar dat van geheel Oost-Azië: Vietnam, Korea, Japan, Nanzhao). Ook werd weer eens gewerkt aan de Grote Muur en het Grote Kanaal.

Het buitenlandbeleid was aanvankelijk een succes, controle van de Sui strekte zich uit tot in Vietnam, handel met Centraal-Azië en het Westen kwam op gang, relaties met Japan werden hervat, en Turken werden te vriend gehouden en gerekruteerd als soldaten. Waar het mis ging is Korea: de relatie met het sterkste van de drie Koreaanse koninkrijken ( waren vijandig en de Sui-keizer bereidde een grootschalige campagne voor (hiertoe diende het werken aan het Grote Kanaal vooral). De oorlog zelf was echter een grote mislukking, slechts duur en demoraliserend. Het lag in puin, de mensen waren ontevreden (ook qua dwangarbeid) de economie lag op zijn gat, en het gezag was volledige verlamd. Rebellen (met Turkse soldaten) onder leiding van de militair Li Yuan (inmiddels ook bekend als Gaozu, de eerste keizer van Tang) hadden kortom alle kans van slagen om de Sui-dynastie te beëindigen en een nieuwe dynastie te beginnen … en dat is dan ook precies wat ze deden in 618.

Tang-dynastie (618-907)

De eerste keizer van de Tang was dus Gaozu, maar volgens traditionele bronnen kun je zijn zoon (Li Shimin) beter beschouwen als de stichter van de dynastie. Niet alleen was zijn vaders opstand tegen de Sui zijn initiatief (volgens die traditionele bronnen althans, dit wordt nu betwijfeld), hij maakt het het klusje ook eigenhandig af op het slagveld: toen zijn vader allang op de troon zat stond Li Shimin nog tot 624 als commandant op het slagveld om het territorium van de voormalige Sui onder controle te krijgen. In 626 vermoordde hij twee van zijn broers (waaronder de aangewezen troonopvolger) en zette zijn vader af om hem op te volgen als Keizer Taizong, de tweede keizer van de Tang. Je zou hem dus een ‘go-getter’ kunnen noemen, of de opstand tegen de Sui nou zijn initiatief was of niet.

Overigens werd hij nog een goede keizer ook, wiens regeerperiode wiens regeerperiode (626-649) als hoogtij beschouwd wordt en bekend kwam te staan als “era of good government of Zhenguan”. Hij pacificeerde de Oostelijke Göktürken ten noorden van China en werd erkend als hun ‘Hemelse Khan’, en zijn controle over het westen strekte aan het eind van zijn regering nog verder uit dan het tegenwoordige Xinjiang.

Eveneens straight outta Machiavelli – en nog bekender dan Taizong zelf – werd echter een van zijn concubines: Wu Zetian. Na Taizongs dood werd zij de tweede vrouw van Gaozong, de zoon van Taizong en de derde Tang-keizer, en wist vervolgens door een knappe intrige diens eerste vrouw (de keizerin) weg te werken om in 655 zelf keizerin te worden. Dit was opmerkelijk mede doordat Wu Zetian van bescheiden komaf was, in tegenstelling tot de voormalige keizerin: een indicatie van de toen al tanende macht van de hogere adel, een proces dat zich gedurende de hele Tang voltrok. Gaozong werd bij zijn aantreden al beschouwd als een slap karakter, maar vooral na een beroerte (of een reeks beroertes) in 660 kwam de echte macht vooral bij Wu Zetian te liggen. Toen Gaozong in 683 stierf werd zij Keizerin-douairière en oppermachtig. Zo machtig dat ze de nieuwe keizer (haar zoon) Zhongzong kon afzetten toen deze tekenen van onafhankelijk begon te vertonen. Eerst installeerde ze toen nog een andere zoon, Ruizong, die jonger was en een volledige marionet, maar later cutte ze ook die middleman eruit en tussen 690 en 705 had ze haar eigen ‘dynastie’ en regeerde ze over China als keizerin op eigen titel – de enige in de Chinese geschiedenis.

In 705 (inmiddels 80 jaar oud) werd Wu Zetian tot aftreden gedwongen en mocht Zhongzong weer op de troon, waarmee de Tang-dynastie dus weer werd hersteld. De vrouw van Zhongzong, keizerin Wei, had schijnbaar echter veel weg van haar schoonmoeder en probeerde het kunstje van Wu Zetian te herhalen. Meer dan bij Zhongzong lag de feitelijke macht bij haar, en vermeend wordt dat toen Zhongzong in 710 stierf hij vergiftigd was door de keizerin Wei, die vervolgens een jonge opvolger op de troon zette die ze makkelijk zou kunnen beheersen. Nog in datzelfde jaar stak prinses Taiping – de dochter van (de echte) Wu Zetian – echter een stokje voor dit plan en organiseerde een coup waardoor haar broer Ruizong weer op de troon kwam.

Onder diens opvolger Xuanzong (r. 712-756) bereikte de Tang haar hoogtepunt van macht, maar aan het eind van Xuanzongs bewind brak een verwoestende opstand uit die het begin van het einde van de Tang-dynastie betekende: de An Lushan-rebellie (755-763). Na deze opstand waren diverse provincies semi-onafhankelijk en beheersten de Tibetanen (al lange tijd de meest geduchte tegenstanders van de Tang) en hun bondgenoot Nanzhao het gehele westen van China. Oorlogen, invasies, rebellie, en een interne verdeeldheid (eunuchen) kenmerken de latere Tang-periode, die het echter toch nog tot 907 uithoudt.

De Tang-dynasten beschouwden Laozi als een voorouder, en daoisme was dan ook de officiële religie. Boeddhisme genoot echter ook officiële bescherming en bloeide op onder de vroege Tang, vooral de ‘inheemse’ scholen als Tiantai- en Chan-boeddhisme (in Japan bekend als Tendai en Zen). Na de An Lushan-rebellie werd men echter wat nationalistischer en raakte het confucianisme weer in zwang, al kreeg het wel boeddhistische trekken. (Onder de latere Song-dynastie bereikte deze beweging zijn conclusie als het zogenaamde ‘Neo-Confucianisme’) In 843-5 werd boeddhisme onderdrukt om economische redenen: het gezag was arm en de boeddhistische kloosters waren rijk. Het land en overige rijkdommen werden afgepakt, en hoewel de onderdrukking niet lang duurde was de schade enorm en het Chinese boeddhisme werd nooit meer zo belangrijk.

Andere belangrijke veranderingen tijdens de Tang was het effect van de bureaucratische examens. Aanvankelijk brachten deze nog geen echte meritocratie of sociale mobiliteit met zich mee (de meeste baantjes werden nog altijd door de aristocratie onder zichzelf verdeeld), maar tijdens de Tang, en dan vooral na de An Lushan-rebellie, was dit steeds meer het geval: de nieuwe post-An Lushan status quo van semi-onafhankelijke provincies moest de oude aristocratie eruit werken en vervangen door loyale bureaucraten, hiervoor kwam het examinatiesysteem goed van pas en werd vanaf toen prominent. Na de Tang-dynastie, in de zogenaamde periode van Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken (907-960), werd ditzelfde proces (waarin nieuwe statussen quos ook weer nieuwe loyale bureaucraten nodig heeft) nog enkele malen snel achtereenvolgend herhaald – waardoor het tijdperk van aristocraten echt helemaal ten einde kwam en nieuw tijdperk van bureaucraten aanbrak. Naast de opkomst van de bureaucraten zorgde de Tang ook voor de opkomst van de koopmansklasse door de toenemende handel en het gebruik van zilver.

(door Denis C. Twitchett)


Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken (907-960)

Tussen Tang en Song heersten vijf opeenvolgende dynastieën over het ‘hartland’ van China, terwijl er tien koninkrijken de periferie bezetten, vooral maar niet uitsluitend in het westen en zuiden – vandaar de naam …

Zoals hierboven al gemeld was deze periode belangrijk voor de Chinese geschiedenis in de zin dat het aristocratische tijdperk definitief ten einde kwam ten gunste van een meer bureaucratisch tijdperk. Nieuwe dynastieën hadden nieuwe loyale ambtenaren nodig, en die rekruteerden ze uit eigen gelederen of via het examinatiesysteem. Van de macht van de oude aristocratie bleef op deze manier weinig over.

Een andere belangrijke ontwikkeling is dat in een van de tien koninkrijkjes (in Sichuan) door een tekort aan koper particuliere ‘pandjesbazen’ waardepapieren gingen uitgeven, die diens klanten ook onderling konden uitruilen. Dit is de directe voorloper van het papiergeld dat al vrij snel in heel China gebruikelijk, en onder de Mongolen zelfs de standaard zou worden.

De barbaren: Tangut, Khitan, en Jurchen (907-1234)

Na de Tang (907) was China dus verdeeld, maar door de Song (vanaf 960) nog niet verenigd. Dit zou pas drie eeuwen later onder de Mongolen weer het geval zijn, in 1279.

De Tangut, die een Tibetaanse taal spraken, beheersten tussen 1038 en 1227 het noordwesten. Dit rijk wordt ook wel de ‘Westelijke Xia‘-dynastie genoemd, en waren belangrijk in de zin dat ze de corridor naar het Tarim-basin bezetten, de Zijderoute, en dus fungeerden als een soort kurk op een cultureel geïsoleerde Song-fles. Ook speelden ze een grote rol in de ontwikkeling van het Mongoolse Rijk, eerst als bondgenoot, later als slachtoffer en leverancier van (geletterde en ervaren) bureaucraten. Het rijk werd op de valreep van zijn leven nog gesloopt door Ghenghis Khan zelf (1227).

De (‘proto-Mongoolse’) Khitan beheersten het noorden tussen 907 en 1125 als de zogenaamde Liao-dynastie. Deze Liao-dynastie raakte erg verchineesd en nadat de Khitan verjaagd werden door de Jurchen (Mantsjoes) stichtten ze in Centraal-Azië een eveneens verchineesde ‘Westelijke Liao’ – ook wel Kara-Kitai genoemd – die niet alleen de middeleeuwse Europese naam voor China leverde (Cathay), maar waarschijnlijk ook de oorsprong was voor de verhalen over Pape Jan vanwege de hun overwinning (1141) op het Seltsjoekenrijk – dat tot dan toe de gesel van de Europese kruisvaarders was.

(Ook is het mogelijk, maar dit is geheel mijn eigen verzinsel, dat het concept ‘Translatio imperii‘ via de Kara-Kitai naar Europa is gekomen. Niet alleen heeft het immers erg veel weg van het concept van het Hemels Mandaat – dat Kara-Kitai/de Westelijke Liao zeker gebruikte – maar wordt volgens mij ook voor het eerst op deze manier toegepast op Europese keizerrijken door dezelfde man die ook met de verhalen over Pape Jan kwam. (Dit zou het Kara-Kitaise kandidaatschap voor Pape Jan dus meteen zo goed als zeker stellen.) Maar dit uiteraard terzijde, want ik spreek vanuit onwetendheid.)

De Jurchen (in Britannica Juchen genoemd) waren proto-Mantsjoes en vestigden in 1115 de Jin-dynastie. De Song riep hun hulp in tegen die verrekte Liao, en de Jin verjoeg de Liao inderdaad ook in 1125, maar keerden zich vervolgens zelf tegen de Song en deze moest in 1127 vluchten naar het zuiden (Hierdoor werd de Noordelijke Song de Zuidelijke Song.) De les lijkt te zijn: vraag een Mantsjoe niet om hulp een indringer te verjagen, want hij neemt je hele huis over. 500 jaar later zou de Ming-dynastie deze les ook leren. Hoe dan, de Jin werd gesloopt door de Mongolen in 1234, maar lieten wel hun sporen na op de manier waarop deze laatsten China regeerden, en via de Mongolen ook op de Ming en Qing.

De Song-dynastie (960-(1127)-1279)

De Song-dynastie werd geboren uit een coup die plaatsvond in Hou Zhou, de laatste van de vijf dynastieën tijdens de ‘Vijf Dynastieën en Tien Koninkrijken’, en slaagde er in 979 in het land te verenigden – d.w.z., buiten de gebieden waar de barbaren het nu voor het zeggen hadden: die Liao-dynastie en de Westelijke Xia. Song kenmerkt zich in intellectuele zin door een terugkeer van confucianistische idealen na de dominantie van daoisme en boeddhisme tijdens de Tang. (Het neo-confucianisme, hoewel als beweging reeds geboren tijdens de Tang, heet in het Chinees dan ook: Song-Ming-lixue (宋明理学), oftewel de Universele Principe-Leer van de Song en Ming). Deze terugkeer naar het confucianisme werd deels ingegeven door etnocentrisme: boeddhisme was nu eenmaal niet Chinees. (En daoisme, vermoedelijk, niet chic genoeg.) Dit etnocentrisme kwam deels voort uit culturele isolatie doordat de Zijderoutes, traditioneel de route die het boeddhisme nam als het naar China wilde, nu werden geblokkeerd door de Tangut (Westelijke Xia).

Hoewel de Song dynastie rijk en ontwikkeld was, was het militair niet erg machtig en moest (vanaf 1004) tribuut betalen aan de barbaarse (Khitan) Liao-dynastie, die gedurende de ‘Noordelijke Song’ een aartsvijand zou zijn. In 1115 stichtte een ander barbaars volk (Jurchen) ook een dynastie Chinese stijl (de Jin-dynastie) waarmee de Song een pact tegen de Liao sloten. De Liao werd verjaagd in 1125, maar de Jurchen keerden zich vervolgens tegen de Song, die militair zo zwak was dat zich amper konden verzetten – het enige wat ze echt probeerden was het afkopen van de Jin. Dit hielden ze twee jaar vol, maar toen het geld op was in 1227 viel de hoofdstad (het tegenwoordige Kaifeng) en namen de Jurchen vrijwel de hele keizerlijke familie gevangen.

De enige zoon van de voormalige keizer die niet gevangen werd is Gaozong en deze werd de eerste keizer van de Zuidelijke Song-dynastie, dat zich tot onder de Yangtze moest terugtrekken en vanuit Hangzhou regeerden. Er werd vrede gesloten met de Jurchen, waar niet iedereen blij mee was. Drie Song-generaals die geen vrede wilden werden daarop ‘gepromoveerd’ tot een praktisch pensioen. Twee van de drie namen genoegen met de persoonlijke rijkdom van dat vooruitzicht, maar ééntje (Yue Fei) bleef zich verzetten tegen de vrede die zijn keizer wenste en moest dit uiteindelijk bekopen met de dood – en werd zo een patriottische volksheld die sindsdien en nog altijd geëerd wordt in Chinese media.

Het was tijdens Zuidelijke Song dat het neo-confucianisme volwassen werd. Zhu Xi (1130-1200) maakte van een losse verzameling denkers en teksten een systeem. Hoewel het vrijelijk gebruikmaakte van daoistische terminologie en boeddhistische metafysica, wees het deze beide stromingen sterk af: het moest een terugkeer zijn naar het Ware Confucianisme van weleer. Net als het oorspronkelijke confucianisme was ook dit nieuwe confucianisme duidelijk een kind van zijn tijd. Zhu Xi redeneerde namelijk zo: een Ware Confucianistische staat is zo aantrekkelijk, voor zowel bureaucraten als onderdanen, dat het zo sterk en stabiel is dat het met eenvoudig gemak weer de controle over Noord-China krijgt. Het neo-confucianisme moet dan ook vooral gezien worden als een zoektocht naar orthodoxie, oftewel het hervinden van de Ware Weg. (Het werd aanvankelijk dan ook Daoxue (道学) genoemd: de Leer van de Weg; pas later ging het Lixue (理学) heten: Universele Principe-Leer.)

In het ‘oude confucianisme’ dient gezag vooral moreel gezag te zijn, en in de leer van Zhu Xi kwam hier sterk de nadruk op te liggen: zelfcultivatie, en dan vooral de cultivatie het morele bewustzijn, kwam voorop te staan. Het scheen te werken, want door het morele gezag dat de school van Zhu Xi steeg het zodanig in aanzien dat de autoriteiten de school als bedreiging gingen ervaren, en werd verboden en Zhu Xi werd verbannen. Hierdoor steeg de heroïsche status van Zhu Xi echter nog meer, en al snel zagen ook de Song-autoriteiten hun fout in en de leer van Zhu Xi werd na na diens dood gerehabiliteerd en geaccepteerd.

Wat hierbij hielp is dat er een sterke nieuwe militaire speler in China kwam opdagen die naast militair  ook een ideologische bedreiging vormde. In 1233 (her)bouwden de Mongolen een tempel ter ere van Confucius in Beijing en in 1237 herstelden ze ook het examinatiesysteem voor bureaucraten. Zij konden nu claimen een confucianistische staat te zijn, inclusief alle morele aantrekkingskracht die daarmee gepaard ging. Dit kon de Song uiteraard niet over zijn kant laten gaan en de leer van nieuwe (Ware!) orthodoxie van Zhu Xi kwam hierbij als geroepen. Als de Song immers de Ware Leer volgt, dan betekent dit dat de Mongolen een valse leer volgen, en dus niet écht confucianistisch zijn.

Een ideologische overwinning van jewelste, waar de Song militair echter weinig aan zou hebben: na jaren van beleg reed de Mongoolse cavalerie uiteindelijk gewoon om de verdediging van de Song heen en in 1276 namen ze Lin’an in (Hangzhou, de hoofdstad) en in 1279 werd de vloot vernietigd en kwam een einde aan de Song-dynastie toen een Song-minister met de (slechts 8-jarige keizer) in zee sprong.

Een invloedrijke nalatenschap de Song was dus het neo-confucianisme van Zhu Xi, dat door de Mongolen werd overgenomen en standaard zou worden. Een andere – maar waarschijnlijk verwante – nalatenschap was de praktijk van het ‘voetbinden’ – eigenlijk voetbréken en dán inbinden – dat onder de Song algemeen werd onder families die rijk genoeg waren. (Het voetbinden was een statussymbool, dat zoiets moest uitdrukken als: kijk, onze vrouwen kunnen nauwelijks lopen en al helemaal niet werken, en zijn dus slechts extra monden om te voeden – maar dat kunnen wij wel betalen, gna gna gna! … )

(door James T.C. Liu en Brian E. McKnight van Britannica plus nog wat uit David Morgan voor wat over de Mongolen en Khitans … )


De Yuan-dynastie (1271-1368)

De Song werkten aanvankelijk met de Mongolen samen tegen de Jin-dynastie van de Jurchen, nadat deze in 1234 viel was het onvermijdelijk dat de voormalige bondgenoten tegen elkaar zouden keren. In 1250 was het zover en vielen de Mongolen de Song aan. Toen in 1259 Möngke stierf, toen de Grote Khan van de Mongolen, nam zijn broer Koeblai het over. Deze bood vrede aan, maar Jia Sidao, de ambtenaar-in-charge bij de Song, gokte er echter op dat de Song sterk genoeg was om de Mongolen te verslaan en negeerde dit aanbod en zette Koeblais boodschapper gevangen. Dit bleek een zwanen-Song (hihi) want in 1279 werd de Song verwoest.

De Mongoolse verovering betekende het voorlopige einde van ‘China’ als staat, zou je kunnen denken, aangezien er nu geen enkele staat nog onder Chinees gezag stond, maar tegelijkertijd was was dit het begin van een hergeboorte, want voor het eerst sinds het einde van de Tang (bijna vier eeuwen eerder) was China weer verenigd onder een heuse dynastie met een heuse Chinese dynastieke naam: de Grote Yuan-dynastie.

Want toen Koeblai officieel tot Grote Khan verkozen werd in 1260 betekende dit voor de Mongolen een grote ommezwaai in hun houding ten opzichte van China. Voordien was China niets meer dan een kolonie die zo efficiënt mogelijk leeggeplunderd diende te worden, maar Koeblai was enigszins verchineesd en een soort sinofiel die in 1267 de hoofdstad van Karakorum in Mongolië naar China liet verplaatsen naar de door hem ge- (of her)bouwde stad Dadu (het tegenwoordige Beijing, dat hiermee ook voor het eerst de hoofdstad van China werd) en vanaf 1271 dus ook een dynastieke naam aannam.

Naast de hereniging en het bouwen van Beijing waren de Mongolen op meer manieren belangrijk voor China. Het noorden en zuiden waren lang gescheiden en moesten ook economisch weer gereïntegreerd worden was, o.a. tot dit doel werd het Grote Kanaal gerepareerd en doorgetrokken tot aan Beijing. Verder werd papiergeld het standaardbetaalmiddel en werd leer van Zhu Xi werd de officiële orthodoxie in 1313, en dat zou zo blijven tot diep in de 19de eeuw. De Mongoolse invloed beperkte zich echter niet tot China zelf natuurlijk, maar strekte zich uit over heel Eurazië, en sommige van die invloeden kwamen als een echo ook weer terug in China. Door de komst van de Mongolen in Europa (en de hervatting van de Zijderoute-handel tussen China en Europa) werd men in Europa bijvoorbeeld voor het eerst bewust van Azië als meer dan een verre, toverachtige plek met ruimte voor mythische wezens en legenden als Pape Jan, en werd er een nieuwsgierigheid gewekt die uiteindelijk hielp leiden tot het zogenaamde Tijdperk van Ontdekkingen: toen Columbus in 1492 vertrok uit Spanje was zijn reisdoel ‘Cathay’, het land van de Grote Khan.

Een zwakte van de Yuan is dat hun stijl van regeren te afhankelijk was van een sterkte leider en het onder de Mongolen bovendien een gewoonte werd in China om militaire oplossingen te zoeken voor politieke problemen. Toen aan het einde van de Yuan China werd geplaagd door overstromingen van de Gele Rivier, een pestepidemie (die de Mongolen hielpen verspreiden), honger en vele opstanden leidde dit in tot 1368 de val van de Yuan en de geboorte van de Ming-dynastie.

(door Herbert Franke en Hoklam Chan van Britannica, en wat van David Morgan 1983)


De Ming-dynastie (1368-1644)

De stichter en eerste keizer van de Ming-dynastie, Zhu Yuanzhang, heeft voor een keizer een wat ongebruikelijke achtergrond en levensloop. Geboren in een arm boerengezin, zo arm dat het hem na een droogte niet langer kon voeden, werd hij op jonge leeftijd naar een boeddhistisch klooster gestuurd, dat hem echter ook langer kon onderhouden, en hij werd zwerver, maar na drie jaar kon hij uiteindelijk toch weer bij een klooster terecht, toen dat echter tijdens de onderdrukking van een opstandwerd vernietigd door een Mongools leger, sloot zich aan bij een van de vele anti-Mongoolse rebellengroepen die toen actief waren: de Rode Tulbanden, een deels boeddhistische, deels manicheïstische sekte, en werkte zich op tot bevelhebber … en, uiteindelijk, overwinnaar van de Yuan en de Hongwu Keizer van de Ming.

De naam Ming (明) zou verwijzen naar het manicheïsme (明教) van de Rode Tulbanden, hoewel keizer Hongwu het manicheïsme later persoonlijk zou verbieden en uitbannen.

Het verval van de Ming begon bij Hideyoshi‘s invasie van Korea (1592-98) als onderdeel van zijn poging een Japanse keizer op de Chinese troon te krijgen. De Ming slaagden erin hun vazal te beschermen en de Japanners te verjagen, maar de onderneming was kostbaar en liet de Drakentroon berooid en verzwakt achter.

Ondertussen, op de steppevlaktes ten noorden van de Grote Muur, slaagde een jonge Mantsjoe met de naam Nurhaci erin de Mantsjoe-stammen te verenigen, zoals Ghengis dat vier eeuwen eerder met de Mongoolse stammen deed. Deze verenigde stammen behaalden later belangrijke overwinningen op Korea en de nu verzwakte Ming-dynastie, en waren bij Nurhaci’s dood in 1626 China al genaderd tot aan de Grote Muur. (Die overigens, in zijn huidige vorm, pas net door de Ming was gebouwd.)

Ten zuiden van de Grote Muur gebeurde er echter ook genoeg, qua onrust. 1644 slaagde een rebellenleider er zelfs in Beijing in te nemen, en een Ming-generaal besloot uit arren moede hulp te accepteren van de Mantsjoes om deze rebellen weer te verjagen, en zette de poorten van de fonkelnieuwe Grote Muur voor ze open. Had deze generaal echter het einde van  van de Noordelijke Song bestudeerd, dan had hij dit waarschijnlijk niet gedaan, want net als toen waren de Mantsjoes, eenmaal binnen, niet meer van plan te vertrekken. Dit jaartal, 1644, wordt gerekend als het begin van de Qing-dynastie (hoewel Nurhaci deze al uitriep in 1616) en het einde van de Ming (hoewel getrouwen van de Ming het nog een tijdje uithielden; de aanhang van de half-Japanse piraat Koxinga hield het op Taiwan, waar deze eerder de V.O.C. had weggeknikkerd, zelfs nog vol tot 1683).

Ondanks zijn wat anticlimactische einde wordt de Ming overigens herinnerd, zowel cultureel als ideologisch (Confucianisme) en militair, als een van de grootste dynastieën van de Chinese geschiedenis. De Ming-keizers keizers regeerden het zogenaamde ‘Alles onder de Hemel’ (天下) en verkregen inderdaad tribuut uit landen tot aan Afrika aan toe. In dit verband moet Zheng He (1371–1433/35) ook genoemd worden, de Ming-admiraal die met een in alle opzichten gigantische vloot de Indische Oceaan afschuimde en die (mede doordat hij een Hui-moslim was die naar verluidt vloeiend Arabisch sprak) ook wel eens wordt genoemd als historische figuur achter de Arabische legende van Sinbad de Zeeman. (N.B. Dit idee wordt niet serieus genomen door experts, dat het wel eens opduikt in stukjes van niet-kenners zegt dus uitsluitend iets over de status van Zheng Hes daden en hoe ze tot de verbeelding kunnen spreken.) Dit uitstrekken tot ver over zijn grenzen kenmerkt echter vooral de vroege Ming. De latere Ming kenmerkt zich vooral door passiviteit en isolatie, en de beruchte houding (of in elk geval reputatie) van een China dat te arrogant was om geïnteresseerd te zijn in de rest van de wereld – een houding waardoor vooral Europeanen zich op de tenen getrapt voelde, die tijdens deze periode voor het eerst contact met China maakte. (Zowel de houding t.a.v. als de reputatie in Europa werden overigens door de Qing overgenomen.)

Als Ming-filosofen worden trouwens nog Wang Yangming en Li Zhi genoemd, maar daarover heb ik hier eigenlijk geen interessante aantekeningen over opgeschreven. Wangs leer was binnen het neoconfucianisme een tegenreactie op Zhu Xi’s ‘rationalistische school’ (理学, lixue) en werd de stichter van de ‘school van het hart’ (心学, xinxue), die een soort ‘niet-denken-maar-doen’-stijl van actie voorstond die populair werd in Tokugawa-Japan (Ian Buruma, 1984) en daar de bushido-/samurai-ethiek hielp vormen, en zo ook invloed had op bijvoorbeeld Yukio Mishima. Verder heb ik begrepen (uit ‘25 eeuwen oosterse filosofie‘, red. J.Bor en K.v.d.Leeuw) dat Wang Yangming, hoewel nominaal anti-boeddhistisch, zo sterk was beïnvloed door het boeddhisme, met name Chan/Zen, dat hij wel eens als een stiekeme boeddhist wordt beschouwd. Van Li Zhi weet ik niks te zeggen behalve dat hij was beïnvloed door Wang Yangming.

(door Charles O. Hucker)


De Qing-dynastie (1644-1911)

Oke, dus we hebben gezien dat Nurhaci een Ghengisje deed met de Mantsjoes, hij verenigde de stammen en kreeg de controle over een aanzienlijk grondgebied ten noorden van de Grote Muur, grofweg wat nu Binnen-Mongolië en ‘Mantsjoerije’ (de naam Mantsjoerije is in de 19de eeuw verzonnen in Japan, Chinezen noch Mantsjoes gebruikten de term) en het Russische verre oosten is.

Wat we niet hebben gezien is de creatie van het zogenaamde ‘Vendelsysteem‘, de eenheden van ongeveer 7500 krijgers plus huishoudens (inclusief slaven) waarin de Mantsjoes en (later) hun bondgenoten zich verenigden. Elk van deze vendels had, per definitie, een eigen vaandel waaronder ze vochten. Dit waren eerst vier (4) Mantsjoe vendels, later acht (8), en later kwamen daar nog acht (8) niet-Mantsjoe vendels bij: Mongolen en Chinezen. Dit organisatiesysteem zou het leger gedurende de Qing blijven kenmerken.

Ook hebben we niet stilgestaan bij het slimme politieke taalgebruik van Nurhaci. Hij noemde zich eerst ‘Khan’ om de noordelijke stammen te verenigen, verklaarde zijn heerschappij ook tot de (Khitan) ‘Jin-dynastie’ tot ditzelfde doel, maar later ging hij uitdrukkelijk Chinese politieke taak gebruiken: hij zou het Hemels Mandaat genieten en nam een Chinese dynastieke naam aan: Qing.

Wat we al wel zagen is dat, ondanks deze duidelijke ambities, een Ming-generaal het in 1644 een verstandig idee vond om de poorten van de Grote Muur voor ze open te zetten om rebellen Peking uit te jagen. (En dat dit helemaal niet zo’n verstandig idee bleek.) Dit was dus de geboorte van de laatste keizerlijke dynastie van China,die het tot 1911 zou uithouden.

Het rijk van de Qing

Niet alleen was het de laatste dynastie, maar ook de grootste – althans, qua grondgebied. Niet alleen voegde het de gebieden toe die de Mantsjoes vóór 1644 al onder controle hadden, ‘Mantsjoerije’, Binnen-Mongolië en stukken van Rusland dus, ook voegde het (voor het eerst in de Chinese geschiedenis) Taiwan aan het rijk toe, Tibet, Mongolië,  het tegenwoordige Xinjiang (letterlijk: ‘Nieuwe Provincie’), en verder nog wat deeltjes van Myanmar en Vietnam in het zuiden.

Europese ideeën over China als een ‘slapende’ (Napoleon) of ‘in zichzelf gekeerde’ reus zaten er dus bepaald naast: China onder de Qing sliep niet, de Qing waren juist, integendeel, bezige baasjes. De stilstand van de latere Qing kwam dan ook niet door een slaapje, maar door hevige groeikrampen.

De oorspronkelijke bewoners van veel van de nieuwe gebiedsdelen, met name in het uiterste westen, bleven zich tot op het laatst verzetten tegen Qing-overheersing.  Toen, nadat de Britten in 1839-42 het imago van de Qing als militaire macht aan flarden schoten, ook de Chinese bevolking zelf zich steeds meer begon te verzetten tegen de overheersing van de Mantsjoes (zoals in de Nian-opstand en de catastrofale Taiping-opstand, een burgeroorlog die zijn weerga niet kent en waarvan de gebruikelijke schattingen van 20 tot 30 miljoen doden volgens de Britannica-redacteuren van dienst nog aan de lage kant liggen) werkte dit allemaal samen tot een perfect shitstorm van opstanden en natuurrampen die de Qing maar ternauwernood overleefde, maar economisch en militair gesloopt. Toen daarna ook het kleinere neefje Japan in 1894-95 China wist te vernederen in een oorlog, was het zo goed als gedaan: Japan, Rusland, Frankrijk, Duitsland, en Groot-Brittanië begonnen als een school piranha’s aan Qing-China begon te knagen totdat het bezweek in nog meer opstanden en, uiteindelijk, revolutie.

Wat ik hier schrijf doet overigens geen recht aan het exceptionele belang van de Opiumoorlog van 1839-42, die vergeleken bij de grote opstanden van de 19de eeuw weliswaar slechts een klein duwtje vormde, maar wel een duwtje bovenaan de trap: de Taiping-opstandelingen voelden zich gesterkt door het gemak waarmee de Britten de Qing versloegen, en de overige opstanden in China werden weer gevoed door de verzwakking van de Qing tijdens en na de Taiping-opstand. De reden dat ik er hier niks over te vertellen heb is simpelweg dat er bij dit lemma van Britannica geen aantekeningen van heb gemaakt omdat de feiten me reeds bekend waren door het lezen van Julia Lovells The Opium War: Drugs, Dreams, and the Making of Modern China. (En die oorzaak is ironisch, aangezien dat boek het exceptionele belang van de Opiumoorlog juist tegenspreekt.)

(door Evelyn S. Rawski voor de vroege Qing en Chusei Suzuki & Albert Feuerwerker voor latere Qing)

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: